Bezinningsavond woensdag 1 april

30 maart t/m 2 april 2015
In de Grote Kerk van de
Hervormde Gemeente Sliedrecht
Stille Week
BEZINNINGSAVONDEN
Thema:
Zicht op het lijden
Vier stemmen uit het lijdensevangelie naar Johannes

Maandag 30 maart
Kajafas: “Het is nuttig, dat een mens sterft
ten behoeve van het volk.”
Ds. J.F. Tanghé
Orgel: Martin Zonnenberg

Dinsdag 31 maart
Petrus: “Dat ben ik niet”
Ds. H.J. van der Veen
Orgel: Arjan Versluis

Woensdag 1 april
Pilatus: “Ik vind geen schuld in Hem.”
Prop. A.J. den Besten
Orgel: Jaco van der Graaf

Donderdag 2 april
Het volk: “Niet Deze, maar Barabbas.”
Dr. M. Klaassen
Orgel: Kees Kraaijeveld
Aanvang:
19.15 uur

Maandag 30 maart – 19.15 uur
Ds. J.F. Tanghé
Orgel: Martin Zonnenberg
Schriftlezingen: Gijsbert Baan en Jaap Braaksma
Gedichten: Irene en Frank Dunsbergen
De stem van Kajafas: Het is nuttig, dat één mens sterft ten behoeve van het volk.

Dinsdag 31 maart – 19.15 uur
Ds. H.J. van der Veen
Orgel: Arjan Versluis
Schriftlezingen: Willem ’t Jong en Gert Vink
Gedichten: Niels Boele en Jaco van Dam
De stem van Petrus: Dat ben ik niet.

Woensdag 1 april – 19.15 uur
Prop. A.J. den Besten.
Orgel: Jaco van der Graaf
Schriftlezingen: Gert Harrewijn en Johan Schouten
Gedichten: Roy Kroon en Esther Slieker
De stem van Pilatus: Ik vind geen schuld in Hem.

Donderdag 2 april – 19.15 uur
Dr. M. Klaassen
Orgel: Kees Kraaijeveld
Schriftlezingen: Mees van de Graaf en Margareth Spijkers
Gedichten: Timo Gort en Marieke Smits
De stem van het volk: Niet Deze, maar Barabbas.

Woensdag 1 april 2015

Begroeting
Zingen: Gezang 192: 1, 4 en 6 (LdK)
1. O kostbaar kruis, o wonder Gods,
waaraan de Prins der glorie stierf;
ik wil om U zijn zonder trots,
ik acht verlies wat ik verwierf.

4. Het rode bloed, zijn koningskleed
bedekt het schandelijke kruis,
dat wordt door alles wat Hij leed
de levensboom van ‘t paradijs.

6. De aarde zelf is veel te klein
voor wie U waarlijk loven wil.
Uw liefde is een groot geheim,
zij vraagt geheel mijn hart en ziel.

Gedicht
Gebed

Zingen: Psalm 56: 1, 2 en 3 (OB)
1. Gena, o God, bescherm mij door Uw hand;
zie, hoe ik ben omringd aan allen kant;
zie, hoe de mens zijn boze netten spant,
om mij daarin te jagen.
Den gansen dag is ‘t oog op mij geslagen;
zijn list legt mij op al mijn wegen lagen;
zijn macht vergroot mijn ongeluk en plagen;
ontroert mijn ingewand.

2. Maar word’ ik ooit met bange vrees belaân,
dan zal op U mijn vast betrouwen staan.
Ik prijs in God Zijn woord; ik steun voortaan
op Hem; zou vlees mij deren?
Ik vrees hen niet, die mijne smart vermeêren;
mij, dag op dag, door lastertaal onteren;
mijn woorden in een valsen zin verkeren;
arglistig mij verraân.

3. Zij rotten saâm, en houden bozen raad,
terwijl mij elk in ‘t heim’lijk gadeslaat,
mijn schreden volgt, en mij naar’t leven staat,
door ramp noch klacht bewogen.
Zoudt Gij, o God, nog met Uw heilig’ ogen,
hun boosheid zien, en straffeloos gedogen?
Neen; stort hen neer door Uw geducht vermogen;
uw gramschap straff’ hun kwaad.

Schriftlezing: Johannes 18: 28-32 (NBG)
28. Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw. En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten. 29. Pilatus dan kwam tot hen naar buiten en zeide: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in? 30. Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Hij geen boos-doener was, zouden wij Hem niet aan u overleveren! 31. Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen; 32. opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, aanduidende, welke dood Hij sterven zou.

Zingen: Gezang 42: 1, 5 en 6 (Bundel 1938)
1. Noem d’ overtreding mij, die Gij begaan hebt,
het kwaad, gekruiste Heer, dat Gij gedaan hebt,
waaraan uw volk U schuldig heeft bevonden,
noem mij uw zonden.

5. O wonderbare Liefde, die ons denken
te boven gaat, wat kan mijn liefd’ U schenken,
wat ooit bereiken d’ arbeid mijner dagen,
dat U behage?

6. O Liefde, voor dit offer van uw leven,
wat kan ik, dan mijzelf ten offer geven,
opdat ik nooit, hetzij ik leev’ of sterve,
uw liefde derve!

Schriftlezing: Johannes 18: 33-38 (NBG)
33. Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? 34. Jezus antwoordde: Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken? 35. Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan? 36. Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier. 37. Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem. 38. Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid? En na dit gezegd te hebben, kwam hij weder naar buiten tot de Joden en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.

Meditatie: Johannes 18: 38: ”Ik vind geen schuld in Hem”
Stilte
Orgelimprovisatie

Zingen: Lied 299 (ELB)
1. Welk een vriend is onze Jezus,
die in onze plaats wil staan!
Welk een voorrecht, dat ik door Hem
altijd vrij tot God mag gaan.
Dikwijls derven wij veel vrede,
dikwijls drukt ons zonde neer,
juist omdat wij ’t al niet brengen
in ’t gebed tot onze Heer.

2. Leidt de weg soms door verzoeking,
dat ons hart in ’t strijduur beeft,
gaan wij dan met al ons strijden,
tot Hem die verlossing geeft.
Kan een vriend ooit trouwer wezen
dan Hij, die ons lijden draagt?
Jezus biedt ons aan genezing;
Hij alleen is ’t, die ons schraagt.

3. Zijn wij zwak, belast, beladen
en terneer gedrukt door zorg,
dierb’re Heiland, onze toevlucht
Gij zijt onze Hulp en Borg.
Als soms vrienden ons verlaten,
gaan wij biddend tot de Heer;
In zijn armen zijn wij veilig,
Hij verlaat ons nimmermeer.

Gedicht
Dankgebed

Slotlied (staande): Gezang 440 (LdK)

1. Ik heb de vaste grond gevonden,
waarin mijn anker eeuwig hecht:
de dood van Christus voor de zonden,
van eeuwigheid als grond gelegd.
Die grond zal onverwrikt bestaan,
als aarde en hemel ondergaan.

2. Het is het eeuwige erbarmen,
dat mijn besef te boven gaat,
het zijn de liefdevolle armen,
het is zijn hart, dat openstaat.
Hij noodt de zondaar, Hij vergeeft
die Hem het hart gebroken heeft.

3. O afgrond, waarin alle zonden
verzinken en niet meer bestaan !
O diep geheim van Christus’ wonden, –
het oordeel is te niet gedaan !
O Heer, uw bloed roept voor altijd:
barmhartigheid, barmhartigheid !

4. Daarop wil ik gelovig bouwen,
getroost, wat mij ook wedervaart;
mij aan Gods vaderhart vertrouwen,
wanneer mijn zonde mij bezwaart.
Steeds vind ik daar opnieuw bereid
oneindige barmhartigheid.
Heenzending