Een stukje preek uit ‘40-’45


Het is een van de meest indrukwekkende predikanten in oorlogstijd. Nog geboren Sliedrechter ook! Zijn naam: Dominee Jan Koopmans. Predikant van de Noorderkerk in Amsterdam, in de oorlogsjaren 1940-1945. In deze week van 4 en 5 mei een klein eerbetoon.

Als een van de eersten doorzag Koopmans het afschuwelijke gevaar van het Nazisme. Aan het begin van de oorlog, toen de gemiddelde Nederlander nog geen idee had van het vreselijke lot dat de Joden te wachten stond, zag Koopmans dat al scherp. In november 1940 wilde hij de kerk wakker schudden en schreef een vlammend protest: ‘Bijna te laat!’ Terwijl nog niemand van de gaskamers kon vermoeden, schreef hij al profetisch over de Joden die op de trein gezet werden. Maak je geen illusie: ‘Ze gaan eruit en ze gaan eraan’.

De hele oorlog bleef ds. Koopmans een baken in het verzet tegen de machten van het Nazisme. De bevrijding in 1945 maakte hij helaas niet mee. Zijn leven eindigde zeer tragisch. Net voor 5 mei, op 12 maart 1945, werden in het Weteringplantsoen 30 personen in koele bloede gefusilleerd. Koopmans, die vanuit zijn onderduikadres het lawaai hoorde, keek even naar buiten. Daar trof ‘een verdwaalde kogel’ hem. 12 dagen later overleed hij aan de verwondingen. Anderhalve maand voor de bevrijding.

Een preekfragment (n.a.v. ‘de verloochening van Petrus’):

De mogelijkheden der verloochening zijn in onze tijd vermenigvuldigd. Lange tijd gold het voor vanzelfsprekend erbij te horen – de gelegenheden om te merken of het ook wáár was, lagen onder de oppervlakte van het leven. Toen kwam de tijd, waarin het toch nog altijd fatsoenlijk was een christen te zijn – en de hardnekkige stichtelijkheid verdoezelde de realiteit der verloochening. Daarna werd het publieke volkomen indifferent geacht of men erbij behoorde of niet – maar juist daarom wìsten wij ook niet meer wat ‘verloochening’ is. Maar nu ìs het weer iets: wie bij Jezus hoort, heeft de stroom en storm tegen zich. En het is niet te zeggen, hoevele malen de Heiland in Nederland tijdens de bezetting reeds verloochend is – om den broode, ter wille van ‘de goede zaak’, ja onder ‘gelovige’ voorwendselen. We hebben ons geschikt, we hebben toegegeven, we hebben onszelf wat voorgepraat – en intussen is het niet meer mogelijk voluit als een Christen te leven in dit land. Wij zouden daarover een boetpredikatie kunnen houden. Maar ik wìl u daarover troosten. Wij zijn gevallen; wij vallen elke dag; het geloof sterft in onze harten: ’t houdt op. De grote ontmaskering gaat over de aarde en over Nederland en over ons. Maar zie: zij kwam over Petrus en hij viel – maar niet in de hel, niet in de dood. Wij houden ermee op – maar Jezus houdt niet op en daarom houdt het geloof niet op. Zijn Woord wordt waar: dat wij Hem alléén laten. Maar het is Zijn Woord, en daarom verzoenend en behoudend gesproken. Petrus gaat naar buiten en weent bitterlijk. Het zijn geen weldadige tranen, die ontspanning geven. Bitter is dit berouw, want nu gelooft hij. Maar ge dacht toch niet zonder dit bitter wenen bij Jezus te behoren? Hij is ‘de plaats des berouws’ (Hebreeën 12), waar Jezus gevonden wordt. Onze vernietiging is Zijn verheerlijking.

(Uit: dr. J. Koopmans, Laatste Postille)